Logopediepraktijk Carine van Aalst-Becx Schijndel


 

 

Logopediepraktijk
Carine van Aalst-Becx

Steeg 6h
5482 WN Schijndel

Tel. 073 - 54 96 708

contact@bonnier­logopedischcentrum.nl



Lid NVLF / Kwaliteitsregister / DTL-proof

Logopedie helpt laaggeletterdheid voorkomen

gepubliceerd: donderdag, 4 mei 2017
Logopedie helpt laaggeletterdheid voorkomen

De logopedist kan als taal-spraakspecialist een be­lang­rijke bijdrage leveren aan het sig­na­le­ren én voor­ko­men van laagge­let­terd­heid. Laagge­let­terd­heid kost Neder­land jaar­lijks ongeveer 1 miljard euro, bleek onlangs uit een onder­zoek in opdracht van de Stich­ting Lezen & Schrijven.

Volgens Andy van Kollen­burg, team­lei­der logopedie bij Onder­wijsAdvies en bestuurslid bij de Neder­landse Vereni­ging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF), is een be­lang­rijke factor bij laagge­let­terd­heid dat taal­pro­ble­men niet of te laat wor­den ge­sig­na­leerd. Het is vaak niet dui­de­lijk wat voor taalachterstand een kind heeft.

Er zijn ver­schil­lende oor­zaken voor taalachterstand, waar­on­der bloot­stel­lingsachterstand. Zo’n tekort aan taalaanbod en –sti­mu­lering komt veel voor bij kin­de­ren met laagge­let­terde ouders. Maar een achterstand kan ook ontstaan door een taal­ont­wik­ke­lings­stoor­nis in de hersenen (TOS). Dit is een veel voor­ko­mende aandoe­ning die vaak te laat of niet wordt herkend en wordt verward met een taalachterstand. Hierdoor ontbreekt de juiste aanpak en ont­wik­ke­len kin­de­ren met TOS leer­pro­ble­men op school.

Een goed voor­beeld van een vroege aanpak van laagge­let­terd­heid is de ge­meen­te Hattem. Hier heeft logopedist Marianne Dirven onder meer de taak om laagge­let­terd­heid te voor­ko­men. Dit doet zij door het sig­na­le­ren en door het adviseren na signale­ring van spraak- en taal­pro­ble­men bij kin­de­ren. Bij de ouders van deze kin­de­ren probeert ze te herkennen of er moge­lijk sprake kan zijn van laagge­let­terd­heid.

Vroegtij­dige signale­ring

Alle kin­de­ren met een TOS hebben een taalachterstand, maar niet alle kin­de­ren met een taalachterstand hebben een TOS. Voor alle gevallen geldt dat taal­pro­ble­men die niet op tijd wor­den opgemerkt en met de juiste be­han­de­ling of voldoende taalaanbod wor­den onder­vangen, gevolgen kunnen hebben voor de geletterd­heid van het kind op latere leef­tijd. Kollen­burg: “Bij geen of te late signale­ring van een taalachterstand zal een grote groep kin­de­ren op alle fronten gaan achterlopen. Deze kin­de­ren komen op een lager school­ni­veau terecht en hebben later min­der kansen op werk. Dit leidt tot maat­schap­pe­lijke uit­slui­ting en af­han­ke­lijk­heid, omdat taal­vaar­dig­heid nauw verbon­den is met tal van andere vaar­dig­he­den.”

Ook Dirven onder­streept het belang van vroegtij­dige signale­ring en, indien nodig, be­han­de­ling. In Hattem signaleert het consul­ta­tie­bu­reau de meest op­val­lende problemen op het gebied van spraak- en taal­ont­wik­ke­ling en maakt zo een eerste selectie op heel jonge leef­tijd. Volgens Dirven wordt er nu nog on­vol­doen­de opgemerkt om alle risico­ge­vallen op laagge­let­terd­heid eruit te fil­te­ren.

Dirven houdt een logope­disch spreekuur voor kin­de­ren onder de 4 jaar en van de school­gaande kin­de­ren in de ge­meen­te ziet ze het meren­deel door een reguliere scree­ning op 5-jarige leef­tijd. “Dit is be­lang­rijk ter voorko­ming van laagge­let­terd­heid. Op die manier zie ik ook de kin­de­ren die anders mis­schien tussen wal en het schip vallen, de twijfel­ge­vallen.”

Onder de 16 jaar kun je con­sta­te­ren dat kin­de­ren min­der taalvaar­dig zijn, maar dan wordt niet direct het label ‘laagge­let­terd­heid’ gebruikt. “Dat moet je ook niet willen”, zegt Dirven. “Bij kin­de­ren met alleen een taalachterstand kan door voldoende taalaanbod laagge­let­terd­heid voor­ko­men wor­den. Kin­de­ren met een taal­ont­wik­ke­lings­stoor­nis of dyslexie hebben al problemen met geletterd­heid. Veel van hen zullen zeer waar­schijn­lijk later in de groep ‘laagge­let­ter­den’ vallen. Voor die kin­de­ren vol­staat extra taalsti­mu­lering niet, zij hebben aanvullende hulp nodig. Ook daarom is het van belang dat de expertise van een spraak-taalspecialist wordt ingezet om een ont­wik­ke­lings­stoor­nis te sig­na­le­ren.”

Taal­punt voor de ouders

Bij het sig­na­le­ren van laagge­let­terde ouders schakelt Dirven haar net­werk in: “Ik probeer leer­krachten, schooldirecties en Intern Bege­lei­ders op scholen bewust te maken van hoe zij laagge­let­terd­heid bij ouders kunnen ont­dek­ken en welke stappen er dan ondernomen kunnen wor­den.” Wanneer ik vermoed dat een ouder laagge­let­terd is, adviseer ik die ouder naar een Taal­punt te gaan.” Door het hele land zijn Taal­pun­ten geves­tigd, vaak in biblio­the­ken. Deze Taal­pun­ten zijn onder­deel van het pro­gram­ma Taal voor het Leven, een ini­tia­tief van de Stich­ting Lezen & Schrijven. Dirven: “De Taal­pun­ten leveren veel re­sul­taat. Mensen die daar komen zijn erg ge­mo­ti­veerd. Ze hebben vaak een dui­de­lijk doel, zoals kunnen voorlezen aan hun kind of een sollici­ta­tie­brief schrijven.”

Een mooi ini­tia­tief dat ook ingezet kan wor­den wanneer het vermoe­den heerst dat er thuis weinig taalaanbod voor het kind is, is de Voorleesexpres. Vrij­wil­li­gers gaan bij de kin­de­ren thuis voorlezen en kunnen zo de ouders er goed bij betrekken. Op die manier wordt het plezier in lezen bij kin­de­ren vergroot en de drempel voor ouders om samen met hun kin­de­ren met taal bezig te zijn verlaagd.

De schaamte voorbij

Helaas staan ouders die Dirven doorver­wijst naar een Taal­punt hier vaak niet open voor, omdat zij hun probleem niet willen toe­ge­ven. “De schaamte is groot. Ook kom je er niet altijd achter dat een ouder laagge­let­terd is. Laagge­let­ter­den zijn gewend hun probleem goed te ver­bergen en gebruiken regel­ma­tig excuses om onder het lezen en schrijven uit te komen.”

Ondanks dat er volgens Dirven al veel gedaan wordt aan voorlich­ting vanuit organi­sa­ties als Stich­ting Lezen & Schrijven en biblio­the­ken, blijft die schaamte voor laagge­let­terd­heid bestaan. “De omvang van het probleem moet meer voor het voetlicht gebracht wor­den. Wanneer bekend wordt dat bij­voor­beeld de ‘buurvrouw’ laagge­let­terd is, wordt ‘laagge­let­terd zijn’ min­der bela­den. Zo kan het taboe doorbroken wor­den.” (NVLF)